Het zuur van de voorjaarsnota

Het zuur van de voorjaarsnota

7 mei 2025

De extra overheidsuitgaven in de Voorjaarsnota zijn door de coalitiepartijen flink uitgemeten. Verlaging van de energiebelasting, bevriezing van de sociale huren, meer geld voor kinderopvang en langdurige arbeidsongeschiktheid (WIA), en een nieuwe spoorlijn in Oost-Nederland, om maar enkele voorbeelden te noemen. Dat geld moet natuurlijk ergens vandaan komen.

Het zijn vooral mensen met enig vermogen en ondernemers die opnieuw extra belasting moeten ophoesten. Wat het vermogen betreft, daalt het grensbedrag waarover je geen vermogensrendementsheffing betaalt per 1 januari 2026 van € 57.684 naar € 51.396. Deze maatregel treft ook de kleine spaarders: zij gaan dus eerder of meer belasting betalen.

Daarnaast wordt het forfaitaire percentage – het verwachte rendement waarop de belastingheffing is gebaseerd – verhoogd met 1,78%. Dat is opmerkelijk, omdat dit percentage een schatting is van het werkelijke rendement, en dat werkelijke rendement is natuurlijk niet afhankelijk van een politieke beslissing.

Je kunt van mening zijn dat het niet erg is als vermogende burgers meer belasting gaan betalen, maar als je alles op een rij zet, is de belastingdruk op vermogen de afgelopen jaren fors toegenomen. Toen in 2002 de forfaitaire heffing werd ingevoerd, gold een forfaitair rendement van 4% en een tarief van 30%. Over € 100.000 aan beleggingen betaalde je toen € 1.200 belasting. Dat bleef zo veertien jaar, tot 2016. Daarna werd de wet vrijwel jaarlijks aangepast. In 2026 wordt het forfaitair rendement circa 7,77% en het tarief 36%. Over dezelfde € 100.000 aan beleggingen betaal je dan bijna € 2.800 belasting – meer dan het dubbele dus.

Ook ondernemers worden opnieuw hard geraakt. De zelfstandigenaftrek is al afgebouwd van € 7.280 in 2019 naar € 900 in 2027. Dat scheelt ondernemers al snel enkele duizenden euro’s belasting per jaar. Nu wordt bovendien voorgesteld twee kleinere regelingen voor ondernemers te beperken en uiteindelijk in 2030 af te schaffen: de stakingsaftrek en de meewerkaftrek.

Om met de laatste te beginnen: de meewerkaftrek is typisch zo’n regeling die niet veel wordt gebruikt, maar wel juist door kleine zelfstandigen met doorgaans een laag inkomen. Het betreft mensen die meewerken in de onderneming van hun partner, maar daarvoor geen beloning ontvangen – meestal omdat de winst te laag is. Door toepassing van de meewerkaftrek worden deze ondernemers toch nog enigszins fiscaal gecompenseerd.

De stakingsaftrek is eveneens een weinig gebruikte regeling. Het beëindigen van een onderneming doe je immers meestal maar één keer. In elk geval mag de stakingsaftrek slechts één keer in het leven worden toegepast. Waarom is deze regeling belangrijk? Door het progressieve tarievenstelsel (hoe hoger het inkomen, hoe hoger het belastingtarief), betaal je bij wisselende inkomens relatief meer belasting dan iemand met een stabiel inkomen. Bij staking is de winst vaak eenmalig hoog. In het verleden bestonden hiervoor meerdere belastingfaciliteiten, zoals een bijzonder tarief bij staking en een regeling waarmee je het belastbaar inkomen over drie jaren kon middelen. Deze regelingen zijn inmiddels al afgeschaft – en nu verdwijnt dus ook de stakingsaftrek.

Hoewel de maatregelen niet direct een groot aantal ondernemers zullen treffen, zorgen ze er wel voor dat de belastingheffing weer een stukje minder eerlijk wordt.