Meer meststoffen moeten emissiearm aangewend worden
18 juni 2026
Van 15 juni tot en met 12 juli 2026 ligt een voorgestelde wijziging van het BBT-document emissiearm aanwenden ter consultatie. Dit document beschrijft de Beste Beschikbare Technieken (BBT) voor het uitrijden van meststoffen, met als doel de uitstoot van vooral ammoniak naar de lucht te beperken. Er werden al technieken beschreven voor het uitrijden van dierlijke mest en zuiveringsslib. Nieuw is dat er nu ook technieken worden beschreven voor een emissiearme aanwending van plantaardig digestaat, ammoniumsulfaat en ureumhoudende kunstmeststoffen. Gedurende de consultatieperiode kan iedereen een reactie op het voorstel geven. De nieuwe regels moeten per 1 januari 2027 ingaan.
Plantaardig digestaat
Voor de aanwending van plantaardig digestaat (restproduct dat overblijft na anaerobe vergisting van plantaardig materiaal) gaan dezelfde voorschriften gelden als voor dierlijke mest.
Ammoniumsulfaat op grasland, beteeld bouwland of onbeteeld bouwland op kleigrond
Aanwending van ammoniumsulfaat (bijvoorbeeld spuiwater uit luchtwassers) mag alleen als gebruik wordt gemaakt van een bemester die volledig tot de grond gesloten is en waarmee de meststof in sleufjes of gaatjes in de grond wordt gebracht. Op onbeteeld bouwland op kleigrond mag ammoniumsulfaat oppervlakkig worden toegediend, mits het daarna zodanig met grond wordt afgedekt of intensief door de grond wordt gemengd, dat de meststof niet meer als zodanig zichtbaar is.
Vaste ureumhoudende anorganische meststoffen
Het op of in de bodem brengen van vaste ureumhoudende anorganische meststoffen mag alleen indien de meststof direct na het strooien zodanig met grond wordt afgedekt of intensief door de grond wordt gemengd, dat de meststof niet meer als zodanig zichtbaar is.
Vloeibare ureumhoudende anorganische meststoffen
Het op of in de bodem brengen van vloeibare ureumhoudende anorganische meststoffen (bijvoorbeeld Urean) en meststoffen, die met ureumhoudendende meststoffen zijn gemengd, mag alleen als gebruik wordt gemaakt van een bemester, die volledig tot de grond gesloten is en waarmee de meststof in sleufjes of gaatjes in de grond wordt gebracht, of als gebruik wordt gemaakt van een druppelslang die de meststof in de grond aanbrengt.
Op niet beteeld bouwland mogen vloeibare ureumhoudende anorganische meststoffen oppervlakkig worden toegediend, mits de meststof direct daarna zodanig met grond wordt afgedekt of intensief door de grond wordt gemengd, dat de meststof niet meer als zodanig zichtbaar is.
Aanwending volgens de beschreven technieken is niet nodig als aan de meststof een ureaseremmer is toegevoegd of als de bemesting een vloeibare bladbemesting betreft (maximaal 10 kg stikstof per bemesting per hectare).